Deense dog (hondenras): waar komt het vandaan?
De Deense dog komt uit Duitsland, waar hij Deutsche Dogge heet. Hij werd gefokt uit de grote jachthonden van Duitse adellijke hoven en heeft geen bekende band met Denemarken: zijn Engelse naam, Great Dane, is aan het Frans ontleend.
Jachthonden van Duitse hoven
In de 16e eeuw importeerden edelen in heel Europa sterke honden met lange poten uit Engeland en Ierland, en in Duitsland heetten die Englische Docke, gewoon “Engelse hond”. Vanaf het begin van de 17e eeuw werden ze aan Duitse hoven gefokt. Ze jaagden op everzwijnen, beren en herten: na de andere jachthonden greep de grote hond het wild en hield het vast tot de jager het kon doden. Lievelingen, kamerhonden genoemd, droegen sierlijke halsbanden en brachten de nacht door in de slaapvertrekken van hun heren.
Een Duits ras krijgt zijn naam
Vuurwapens veranderden de jacht, en de oude vanghonden werden zeldzaam. In 1878 kwam in Berlijn een commissie van zeven fokkers en keurmeesters bijeen, die besloot alle varianten, van de Ulmer Dogge tot de Saupacker, onder één naam te brengen: Deutsche Dogge. De eerste rasstandaard werd in 1880 op een tentoonstelling in Berlijn vastgelegd, en sinds 1888 wordt die beheerd door de Deutsche Doggen Club. De internationale rasstandaard noemt Duitsland nog altijd als land van herkomst.
Waarom men aan Denemarken denkt
Het zit 'm allemaal in de naam. In het Frans heet het ras grand danois, “grote Deen”, en het Engels nam die naam over: Etymonline vindt “Dane” in 1774 al als naam voor een ras van grote honden. In de 19e eeuw noemden Engelstaligen de hond ook German boarhound, “Duitse zwijnenhond”, en sommige Duitse fokkers probeerden hem in het buitenland te verkopen als “German Mastiff”. Maar “Great Dane” bleef hangen, hoewel het ras geen bekende band met Denemarken heeft.
Bronnen: en.wikipedia.org ↗ · fci.be ↗ · etymonline.com ↗