Vogelbekdier: waar komt het vandaan?
Het vogelbekdier komt uit Oost-Australië, waar het leeft in rivieren, beken en meren van Queensland tot Tasmanië. Toen de eerste huid eind jaren 1790 Groot-Brittannië bereikte, leek het harige dier met een eendensnavel zo onwaarschijnlijk dat wetenschappers aan bedrog dachten.
Een eendensnavel aan een harig lijf
Europeanen kwamen het vogelbekdier voor het eerst tegen in 1798, en John Hunter, de tweede gouverneur van Nieuw-Zuid-Wales, stuurde een vacht en een schets naar Groot-Brittannië. George Shaw, assistent-conservator natuurlijke historie van het British Museum, publiceerde in 1799 de eerste beschrijving, in The Naturalist's Miscellany. Hij schreef dat het onmogelijk was niet te twijfelen of het dier echt was, en hij gebruikte een schaar om te zoeken naar hechtingen waarmee de snavel vastzat. Toen hij er geen vond, aanvaardde hij het als een nieuw soort dier.
Een zoogdier dat eieren legt
Het vogelbekdier bleek nog vreemder. Het is een cloacadier, een zoogdier dat eieren legt: het vrouwtje legt meestal twee kleine, leerachtige eieren en voedt haar jongen later met melk uit plekken op haar buik, zonder tepels. Mannetjes hebben aan elke enkel een scherpe spoor die met een gifklier is verbonden; het gif is niet dodelijk voor mensen, maar de pijn is beschreven als ondraaglijk. Onder water sluit het vogelbekdier zijn ogen, oren en neusgaten en vindt het prooien met sensoren in zijn snavel.
Alleen in Oost-Australië
Vogelbekdieren leven in zoet water, van de regenwoudlaaglanden in het uiterste noorden van Queensland tot de koude hooglanden van Tasmanië en de Australische Alpen. Ooit leefden ze ook in de Adelaide Hills en de Mount Lofty Ranges in Zuid-Australië, maar uit die staat zijn ze verdwenen, op een populatie na die in de jaren 1920 op Kangaroo Island werd uitgezet. Aboriginalvolken hebben veel namen voor het dier, zoals djanbang in het Bundjalung en maluŋgaŋ in het Ngunnawal.
Bronnen: en.wikipedia.org ↗ · australian.museum ↗ · discovermagazine.com ↗